De helmovertrek
Vergeten uitrustingstukken van het
Nederlandse leger van vóór 1940, deel 2
In de Opmars
is al eerder ruime aandacht besteed aan een 'vergeten'
uitrustingstuk van het vooroorlogse Nederlandse leger. Ik
zal de serie voortzetten met nog zo'n item: de
helmovertrek. In de publicatie van Talens (2001) wordt in
tegenstelling tot het zak- of knipmes nauwelijks over het
hier te behandelen onderwerp gerept. In de meeste
vooroorlogse voorschriften zal men tevergeefs naar een
afbeelding of uitgebreide beschrijving zoeken. Dit is
waarschijnlijk dan ook de reden dat een beschrijving of
afbeelding van het uitrustingstuk geheel ontbreekt bij
Talens, die heel sterk de voorschriften volgt en weinig
aandacht heeft voor het gebruik en variaties. Onder
paragraaf 36 Oefenvijand beperkt Talens
(2001, blz 540) zicht tot de volgende opmerking:
"Tot 1940 werd bij het houden van oefeningen met
twee partijen - een Blauwe partij en een Rode partij -
door de eerste een zwarte of blauwe driekante doek over
de helm gedragen. Zelfs dit blijkt niet geheel
juist te zijn, zoals later zal blijken.
De helmovertrek is regelmatig op foto's te ontwaren. Bij
korte bestudering van een aantal boeken wordt duidelijk
dat de helmovertrek bij diverse legeronderdelen wordt
gebruikt. Hierna worden enkele afbeeldingen in
publicaties aangehaald ingedeeld op regiment, met tevens
weergegeven op welk type helm. Dit zijn bijvoorbeeld:
Infanterie, Mitrailleur Compagnie:
1. De Vries & Martens 1993, blz 141 onder, (m16;
geschaard rond Schwarzlose en koe)

Infanterie,
PAG:
1. Klingens z.j.a, blz 35 linksboven (m27 of m34;
achter stuk 6-veld)
Wielrijders:
1. Fitzpatrick 1998, blz 109 onder, (m27 of m34;
overzetten van drijfzak vol fietsen; deze foto is de
eerste uit een serie: serie A)
2. Brink & Cramer 1989, afb 141 (m27 of m34;
overzetten van een motor: het plaatsen van de motor op de
drijfzak; serie B)

3. Zwaan
1979, afb 84 (m27 of m34; overzetten van een motor:
midden op het water, serie C)
4. De Vries & Martens 1993, blz 34 onder, (m27
of m34; met Lewis op aardappelberg)

5. Bom
1986, blz 8 midden (m27; staande langs straat met Morris
pantserwagen)

Cavalerie?:
1. Schulten &Theil 1979, blz 4 boven (m16;
naast Ehrhardt pantserauto)
2. ? (eskadron van 2 of 3RH op
mars bij een oefening in Brabant)
Huzaren-Motorrijder:
1. De Vries & Martens 1993, blz 126 (m27 of m34;
rijdend op 'bospad')

2. Zwaan
1979, afb 82 (m27 of m34; 'uitglijder')
3. Klingens z.j.a, blz 17 onder (m27 of m34; motoren
achter Landsverk)
Pontonniers:
1. Zwaan 1979, afb 102 (m27 of m34)
Rijdende Artillerie:
1. Klingens z.j.b, blz 52 onder (m27 of
m34; opname met Wilhelmina in wit)
2. Ons Leger Gedenkboek 1937, blz 83 links (m16;
geschut en trekkers)
De helmovertrek bestaat uit een driehoekige (gelijkbenige
driehoek, voor de wiskunde liefhebbers) zwart tot
zeer donker grijze aan alle zijden omzoomde lap van dun
katoen. Vanaf het midden van de korte zijde is naar het
midden toe een extra naad gemaakt door de stof om te
slaan. Hiermee wordt een bolling in de lap verkregen AFB
origineel. De naad loopt tot iets voor het midden vanaf
die zijde gerekend. Aan alle drie de hoeken is een stuk
veldgrijs tot khaki band bevestigd. Het midden van de
band is aan de lap genaaid, waardoor de band te knopen
valt. Afhankelijk van het type helm verschilt de wijze
waarop de helmovertrek bevestigd wordt. Op de helmen van
het type m16 kunnen drie sleuven voorkomen in de helm
rand. Twee aan de voorzijkanten en een midden achter.
Door deze sleuven wordt dan een van de uiteinden van
helmovertrek gehaald en vastgeknoopt. Wanneer deze helmen
slechts zijn voorzien van een sleuf midden achter dan
worden de uiteinden vastgeknoopt aan de kinriem of het
oog waaraan de kinriem aan het binnenwerk van de helm is
bevestigd. Dit geldt ook voor de helmen m27 en m34, die
ook alleen midden achter een sleuf hebben. De helmen m16
worden nog wel eens achterstevoren gedragen. Hiermee is
dan aan de voorkant niet de korte zijde van de driehoek,
maar de punt.
Het op de site afgebeelde helmovertrek heeft een stempel
in witte inkt van de Centrale Magazijnen. Echter de datum
is slecht leesbaar: CM 1923, 1928 of 1929? Het meest
waarschijnlijk lijkt 1929 te zijn. Deze overtrek komt
overigens uit de uitrustingskist van een officier der
Infanterie.
Over de helmovertrek doen diverse verhalen in
verzamelaarskringen. Zo zou het te maken hebben met de
camouflage van de helm. Iets wat daarbij dan direct
opvalt is dat op geen enkele foto uit de meidagen van
1940 de lap zichtbaar gedragen wordt. Wanneer je er naar
gaat zoeken dan blijkt dat foto's met gecamoufleerde
helmen überhaupt zeldzaam zijn. De wel door Talens
(2001, blz 539) afgebeelde en beschreven rubber helmband
wordt namelijk ook nauwelijks terug gevonden op
afbeeldingen. De rubber helmband of helmelastiek kende
een zeer late officiële invoering (MB van 26 april
1940), wat wellicht de oorzaak is van de weinige
afbeeldingen. Het is zelfs de vraag in hoeverre de helm
elastiek nog in grote getale uitgereikt kon worden.
Interessant is dat er op afbeeldingen ook een andere vorm
van helmcamouflage voorkomt. Zie bijvoorbeeld 'De
Koninklijke Nederlandsche Landmacht 1939(?),
hoofdstuk Luchtafweer AFB; idem Ons Leger jaargang 25 nr.
11, november 1939, blz 491; idem Klinkert, Otten &
Plasmans 1992, blz 40 wellicht een foto uit dezelfde
serie als in Ons Leger).

Hierbij
is de kinriem over de bovenkant van de helmbol geleid.
Tussen de kinriem en de helm is gras gestoken dat recht
omhoog staat. De kinriem kan zowel boven op de bol als
meer naar achteren gedragen worden. Het zou kunnen dat
dit gebruik van de kinriem als camouflagehouder een zeer
regimentsgebonden gebruik was, aangezien alle
afbeeldingen manschappen en onderofficieren van alleen de
Luchtafweer (LuA) naast geschut of vuurleidingsmiddelen
betreffen.
Wanneer we de dienstvoorschriften openslaan is het
interessant te constateren dat er niets specifiek wordt
geschreven over het camoufleren van de helm. In
dienstvoorschrift 77h Voorschrift Inrichtingen
Stellingen deel IX Maskeering, Breda 1931 (blz
71-74), wordt wel ingegaan op het gebruik van takken, het
kleuren van het gelaat en het gebruik van een zandzak
voor het gezicht. Nergens wordt aangegeven hoe die
camouflage met takken bevestigd wordt. Op de bijgaande
figuren 51a en 51b lijkt het zelfs alsof de helm zelf
niet gecamoufleerd is, maar dat er takken tussen de
uitrusting zijn gestoken die tot boven de helm uitreiken.

Het enige
gebruik van de helmovertrek is dus waarschijnlijk alleen
ten tijde van de eerste oefening en eventueel de
mobilisatie geweest. De enige vermelding is in
dienstvoorschrift 46 Algemeen Oefenvoorschrift voor de
Koninklijke Landmacht, Breda 1930. Hier wordt op blz 46
onder paragraaf 121 als tweede punt aangehaald: "
De tegen elkander optredende partijen worden - ter
beslissing van den leider - genoemd de Blauwe partij en
de Roode partij. De laatste draagt een zwarten doek over
den helm of een bruine band om de veldmuts." Hiermee
is duidelijk dat Talens de plank misslaat. Er wordt in
het voorschrift geenszins melding gemaakt van een blauw
helmdoek, bovendien heeft de Rode partij de helmovertrek
en niet de Blauwe.
Ook het helmovertrek is in verzamelaars kringen een
gewild, maar zeldzaam object. In tegenstelling tot het
zakmes is het geen handzaam object dat ook buiten de
dienst gebruikt kon worden. Het was eenvoudigweg een
lapje stof waar je verder niet veel meer mee kon doen dan
het als poetslap uiteindelijk weg te gooien.
Arjen V.A.J. Bosman
© 2002
Literatuur:
Bom, drs J.A., 1986, Eskadrons Pantserwagens
1936-1940, Amstelveen.
Brink, M. & C. Cramer, 1989, Ergens in
Nederland
, Herdenking Mobilisatie 1939-1989,
Veenendaal.
Dijkstra, P & A.V.A.J. Bosman, 2002, Het knipmes, Het
zakmes van het Nederlandse leger van vóór 1940, Opmars
36, februari 2002
Fitzpatrick, J.,, 1998, The Bicycle in Wartime, An
illustrated history, Washington.
Klingens, J., z.j. a, Het krijgsvolk van weleer,
Panorama van leger, luchtmacht en marine in mei 1940,
Amsterdam.
Klingens, J., z.j. b, Het paardenvolk in mei 1940,
Panorama van de veldartillerie, Amsterdam.
Klinkert, dr W., drs R.U.M.M. Otten & drs J.F.
Plasmans, 75 jaar Luchtdoelartillerie 1917-1992
Schulten, dr C.M. & J Theil, 1979, Nederlandse
Pantservoertuigen, Militair Memoriaal 5, Bussum.
Smits, F.J.H.Th., 1985, De tirailleur van de Nederlandse
infanterie 1928-1940, Armamentaria 20, blz 6-11.
Talens, M., 1996, De ransel op de rug, De
uitrustingstukken van de Nederlandse soldaat sinds 1813,
deel 1, Breda.
Talens, M., 2001, De ransel op de rug, De
uitrustingstukken van de Nederlandse soldaat sinds 1813,
deel 2, Breda.
Vries, G. de & B.J. Martens, 1993, Nederlandse
vuurwapens, Landmacht en Luchtvaartafdeling 1895-1940,
Amsterdam.
Zwaan, J, 1979, De mobilisatiemaanden 1939-1940,
Amsterdam.
NB Dit artikel is eerder verschenen in de OPMARS,
zevende jaargang, nr. 37, april 2002. OPMARS het
tweemaandelijkse magazine van de Vereniging
Historische Militaria (VHM)
|